Home

Onze oertaal

 

 

Al jaren lang interesseer ik mij voor genealogie – voorouderonderzoek – en alles wat met geschiedenis en speciaal die van Princenhage en omgeving te maken heeft: wie waren mijn voorouders, waar kwamen ze vandaan, wat voor cultuur hadden ze, welke taal spraken ze enz.

Ook de Bijbel geeft veel informatie over de geschiedenis van onze voorouders. Veel onderzoekers gebruiken de Bijbel dan ook als één van de bronnen voor historisch onderzoek. Je kunt er informatie vinden vanaf de zondvloed zo’n 4000 jaar v.C. tot ongeveer het begin van onze jaartelling. Hieronder een link naar een site met de gegevens die ik bedoel:

http://www.tribwatch.com/manes.htm

Op deze pagina komen ook de ‘Blonde Mummies’ ter sprake, die gevonden zijn in het Taklan Makan gebied. Meer informatie over deze mummies tref je op mijn site onder een Europese prehistorische schoonheid.

 

Een van puzzels waar ik tegen aan liep, werd gevormd door een tweetal artikelen in BN De Stem van november 1999 over Bagven, een

gehucht bij Princenhage door Karel Leenders en Paul de Schipper. De schrijfwijze verschilt nogal in de loop der tijden. Het werd ook

geschreven als Bacveen (in 1265), Baghven of Baqhven of Bagvenne (deze laatste variant in de akte van 1292, volgens Mr. F.Cerutti met

een erfpacht, dus al geruime tijd bewoond !!)

Naamonderzoekers denken dat het eerste deel ‘Bagh’ een oude benaming voor modder is of in het Duits ‘beek’, terwijl ‘ven’ naar waterig

land zou verwijzen.

Dit is in tegenspraak met de gesteldheid van die bodem. Het blijkt volgens dhr. K. Leenders een zeer vruchtbaar en droog gebied te zijn

met op veel plaatsen een leembank op geringe diepte. Vanwege deze laatste conclusie werd als uiteindelijke “oplossing” toen maar gezegd,

dat het misschien toch wel ooit een moerassig gebied is geweest.

Deze uitleg bevredigde mij allerminst en ik ging speuren naar een andere mogelijkheid. Bij een van mijn zoektochten kwam ik in aanraking

met de Uighur/Uyghur taal.

 

Het Uighur, althans zo wordt het genoemd door de bevolking, is een taal uit het oude Perzië, centraal Azië en Oost Turkestan.

Ook in de Chinese provincie Xinjiang werd en wordt het nog steeds gesproken. Het is een taal die vermoedelijk al 8500 jaar oud is.

In 206 v.C. werd het in de kronieken van de Chinese Han dynastie vermeld. Hieronder een oude kaart van de latere zogenaamde

zijderoute, die voor een groot gedeelte door het Uyghur gebied liep.

 

 

Ik zocht het woord Baghven en bij het woord Bagh komt de vertaalde uitleg: tuin of boomgaard.

Het achtervoegsel –ven geeft een persoon aan.

Baghven betekent dan “tuinder” !! Overigens waren die Uighur sprekende mensen ook de eersten die agricultuur toepasten.
Het woord Baghven en zelfs het woord Baqhven komt volgens mijn opzoekingen alleen maar voor in die Uighur taal.

Deze betekenis paste veel beter in de omschrijving van de grondsoort.

Zou ik hier een ontdekking hebben gedaan?

Ik ging verder met speuren en beproefde vanuit het Uighur nog veel andere plaats- en persoonsnamen in Princenhage, maar ook elders in Nederland en België, waarvan tot op heden de herkomst onbekend is of gegokt wordt. Het resultaat vind je in de sub-hoofdstukjes onder

‘Onze oertaal’.

Toen ik die plaatsnamen, gebiedsnamen en persoonsnamen eenmaal had ben ik met de ‘gewone’ woorden uit de Uighurtaal aan de slag

gegaan en kwam veel woorden tegen die we nu nog gebruiken. Er zijn veel mensen, die beweren dat Uighur een Turkse taal is. Maar

als je de pagina taalvergelijking op deze site bekijkt, dan zie je dat de oude Uighurtaal, die hier gesproken werd niet veel met het Turks

van doen heeft. Zelfs niet met het Oezbeeks, dat het meeste verwant is aan het Uighur.

 

Om mijn conclusies verder te onderbouwen heb ik diverse publicaties van bekende Neerlandici bestudeerd en stuitte o.a. op de conclusie van de in 1913 geschreven artikelen van de beroemde Neerlandicus Prof. Dr. Jac van  Ginneken. Uit zijn Handboek der Nederlansche taal, Deel 1. De sociologische structuur der Nederlandsche taal, hoofdstuk vijf, pag. 123, het Brabantsch- Frankisch:

‘Het Brabantsch-Frankisch is zoo goed als zeker de voortzetting van de oude taal der Salische Franken. Deze zijn in de 4de eeuw uit Salland opgerukt, toen de Saksen er binnen trokken, en lieten misschien ten Noorden der Dedemsvaart een deel hunner taalbroeders achter, waaruit dan de afwijkingen van het Drenthsch als een vermenging van Saksisch met Frankisch zouden kunnen worden verklaard. Nu verhuisden ze naar Noord-Brabant, om daarna, gedeeltelijk althans, weer verder naar 't Zuiden te trekken, drongen in België door, bemachtigden in 't laatst der vijfde eeuw onder Chlodwig of Clovis een deel van Gallië en hebben er 't Frankische rijk gesticht. - Nu schijnen vooral in deze streken echter nog vele oude oer-Europeeërs te zijn achtergebleven, want het is opvallend, dat juist deze dialecten op de eerste plaats de boven op blz. 87-88 genoemde vreemde algemeen-Frankische verschijnselen het sterkst vertoonen, en op de tweede plaats nog een heele reeks nieuwe overeenkomsten met het Keltisch hebben bewaard’.

En pag. 124 ‘Welnu, de taal dezer Salische Franken met oerinwoners gemengd, werd nu in den loop der eeuwen deels door natuurlijke, deels door staatkundige en kerkelijke verkeersgrenzen in meerdere dialecten gesplitst:

1o. Het West-Noord-Brabantsch, dat reeds begint in den Tieler- en Bommelerwaard en zich met onbeteekenende schakeeringen tot bijna aan de Belgische grens uitstrekt. Nemen wij, gelijk we boven aanstipten, aan, dat in het Zuid-Oost-Veluwsch een Brabantsch-Frankische inslag schuilt, en houden wij rekening met de sterk Brabantsch-Frankische kleur van het Nederbetuwsch, dan zien wij dus den heelen weg dien de Salische Franken genomen hebben, nog in de tegenwoordige dialecten duidelijk afgeteekend. (A.v.d. Water: De Volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Utrecht 1904. J. Hoeufft: Proeve van Bredaasch taaleigen, Breda 1836-38).

2o. Het Antwerpsch, waarbij verschillende gemeenten van Noord-Brabant behooren, verder het westelijk deel der Belgische provincie Antwerpen tot en met Turnhout, Herenthals in het Oosten en Mechelen en Cappelle in de Belgische provincie Brabant. (H. Smout: Het Antwerpsch dialect, Gent 1905. P. Cornelissen-J. Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect, Gent 1899).

3o. Het Oost-Vlaamsch in het land van Hulst en Sas van Gent, verder in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen behalve Dendermonde, met nog eenige grensplaatsen uit West-Vlaanderen tot Kortrijk toe. Ook het heele Westen van de provincie Oost-Vlaanderen behoorde vroeger tot het West-Vlaamsche taalgebied, dat zich tot aan de Ottogracht uitstrekte. Het beste bewijs hiervoor leveren volgens de Bo ‘de naslepende e, de eentonigheid van tongval en de oude i en uu voor ij en ui’, die hier nog her en der voorkomen. (J. Bouchery: De Gentsche tongval. Verslagen en Mededeelingen der Koninkl. Vlaamsche Academie voor taal- en letterkunde, 1907, blz. 618 vlgd. J. Jacobs: Klank- en vormleer der middelvla. dialecten. Gent 1911. L. Schuermans: Algemeen Vlaamsch Idioticon, Leuven 1865-1883. Joos: Waasch Idioticon, Gent 1902. Is. Teirlinck: Zuid Oostvlaandersch Idioticon, Gent 1907).

4o. Het Aalstersch van het land van Dendermonde inclusief tot aan Edingen met Halle en Brussel. (Ph. Colinet: Het Dialect van Aalst. Leuvensche Bijdragen I, 1896).

5o. Het Leuvensch waartoe in de provincie Antwerpen nog behoort het land van Heyst op den berg en dat ten Oosten besloten wordt met het Hagelandsch, dat de grens vormt naar het Limburgsch. (L. Goemans: Het Dialect van Leuven. Leuvensche Bijdragen II, 1897. L. Goemans: Leuvensch Idioticon, Gent 1912)’.

 

En in het door Jac van Ginneken geschreven boek, De Regenboogkleuren van Nederland taal hoofdstuk1:

‘Voordat de Germanen zich in ons land vestigden, woonden er echter reeds andere volken nl. de Kelten, die op hunne beurt een Oer-Europeesche bevolking hadden onderworpen. Deze Kelten nu, die in ons land evenals in Frankrijk zeer talrijk waren, en het in hun midden levende oervolk, vermengden zich met de Germanen, en hun talen deden haar invloed ook op de Germaansche talen hier te lande gelden. In onze taal zijn dus Keltische en Oer-Europeesche invloeden werkzaam’.

Ook Professor Dr A.A. Wijnen suggereert het bestaan van oervolken in zijn tweede bijgewerkte uitgave van De Dialecten van Noord-

Brabant, uitgegeven in 1987. Hierin staat op op bladzijde VII van de inleiding ‘Zo zou ik ook op blz 13 voor Peel niet meer zo zonder reserve

een Romeinse herkomst aannemen, sinds Kuhn voor de vermoedelijke herkomst van allerlei met p beginnende woorden op een mogelijk tussenvolk gewezen heeft’. Die blz 13 is van de eerste druk in 1951.

Verder schreef  Wijnen op blz 41 tweede druk:

‘Welk volksstammen in vòòr- of vroeg-historische tijden hun contributie aan het Brabants dialect afgedragen hebben is nog zeer dubieus.

Er hebben ten tijde van Caesar Menapiërs gewoond. Sommige plaats- en riviernamen zoals Gorp, de Keersop, Gennep (bij Eindhoven), de Tongelreep, de Rozep (en de Risp uit Rips?) vertonen als tweede element –ep, -ip, -ap, hetwelk ook in de naam Menapiërs aanwezig kan zijn, maar hoeven daarom nog geen overblijfselen van dat volk te zijn.’

‘De plaatsnamen van de Acht Zaligheden Steensel, Eersel, Netersel, Hulsel enz. heeft men wel om hun uitgang als nederzettingen van Salische Franken beschouwd, maar op veel te vlakke grond. Wel denk ik, gezien de toponiemen als Tongelre, Tongeren (bij Boxtel) en de Tongreep

in de Meierij aan de oude Tongeren.’

Dese –ep, -ip, -op namen komen naar mijn mening uit het Hebreeuws, meegebracht door de Eburonen, een Joods-Germaanse volkstam, die in Noord België en de beide Limburgen woonde. De Hebreeuwse woorden, zoals Gorep = winterhuis en Gennep is van Ghinnethoi = tuinman zijn van hen afkomstig. De –sel namen kan ik niet plaatsen in de Uighurtaal. Ik denk dat dit inderdaad van de Salische Franken komt. Maar bij de Tong- namen denk ik aan de Tungrii, een Gallisch Belgae volkstam bij Tongeren, Belgisch Limburg. Tongeren is naar hen vernoemd.

Verder op blz 41‘ Vele verschijnselen heeft Jac. van Ginneken aan een Baltische articulatiebasis, aan een Baltische infiltratie toegeschreven. Later verklaarde hij dat de naam voor hem bijzaak was, maar daarmee vervalt natuurlijk de historische basis aan zijn beschouwingen.’

 

Ik weet nu dat van Ginneken gelijk heeft gehad wat betreft de articulatie. In de Baltische staten kwamen de bewoners al 3000 tot 2500 v.C.

vanuit hetzelfde gebied als waar de oorspronkelijke Uighur sprekende mensen vandaan kwamen.

Jammer dat van Ginneken dit niet verder heeft onderzocht, hij zou zeker tot dezelfde conclusie zijn gekomen.

 

Verder op blz 42 ‘Hebben in onze dialecten vòòr-Germaanse volkeren hun sporen nagelaten? Het is hachelijk hierover nu reeds uitspraken

te doen, De zgn ripuarismen, verschijnselen die vnl. tussen Rijn en Maas voorkomen….. , gelijk dat zich aan de vele ui-woorden in het oosten

van Noord –Brabant vertoont, zijn niet aan Ripuarische Franken toe te schrijven, maar kunnen misschien op oudere invloeden teruggaan.’